Gedichten                           terug naar lekker lezen

De wind waait in de bomen      

de wind waait door mijn vacht     

ik wil wel lekker rennen,        

maar dat had ik gedacht

de wind stuift alle blaadjes  

uitdagend om me heen               

ik wil ze heus wel pakken         

maar ik vang er geen een            

de wind waait dode takken          

ik zie ze heus wel hoor               

ik zou wel willen slepen         

maar dat gaat mooi niet door

ik ben een zielig hondje

want ik zit aan de lijn                 

en dat duurt wel drie weken         

en dat vind ik niet fijn             

Alpha zegt: Sam ’t is jammer       

ik doe het niet als straf             

als straks je wervels goed staan  

mag dat tuigje heus wel af         

nu snuffel ik geduldig                

en sjok wat heen en weer           

ik tel maar stil de nachtjes 

STRAKS GA IK WEER TEKEER!

Sam, 24-10-04

 

Staande op de hoge wal
mijn drum die zingt
kijk ik naar de waterplas
de bruine rietsigaren
de wolken weerspiegeld
zonnestralen door de mist getekend
vallen op deze plek
hoge bomen kijken mee
in het water speelt mijn witje
een met alles om haar heen
op dat moment klopt het leven
even...                  
                                            

den haag, 1-9-04/IK

 

Zondagochtend

Mijn hele lijf doet pijn

maar zij wil naar buiten

staat klaar voor de nieuwe dag

 

Mopperend om al het gesnaai

want zij weet

dat ik mijn dag niet heb

 

Alle commando’s vergeten

rent ze voor me uit

de hele wereld is van haar

 

Ik voel me rot

aandachtig starend in de verte

zie ik haar staan

en denk

“wat is ze toch mooi”

 

Ik ben al moe

maar zij heeft energie voor twee

geniet met volle teugen

 

Een hardloper wordt ‘prooi’

ze luistert niet

en ik krijg een grote bek

 

Ik voel me rot

netjes loopt ze mee

langs een veld vol honden

en ik denk

“wat is ze toch braaf”

 

Ik zit op een bankje

en zij springt vrolijk rond

de kikkerpoel haar terrein

 

Op weg naar huis

in volle vaart knalt ze tegen me aan

nu doet echt alles pijn

 

Ik verbijt mijn tranen

zij speelt met een collie

een witte flits vol plezier

en ik denk

“wat is ze toch snel”

 

Nog even langs de vijver

zij duikt en proest

zwemt als een otter

 

Schoongewassen en nat

huppelend en alles willen zien

nog lang niet moe

 

Ik lig op de bank

en kijk naar haar

een knipoog, een zucht

ze slaapt

“wat is ze toch lief”

Den Haag, 7 september 2003